NVT-net dag: Taal, communicatie en cognitie: van onderzoek naar onderwijs

Info

Dates
31 maart 2023
Location
Salle des Professeurs
Place du 20 Août 7
4000 Luik
See the map
Price
Gratis voor leden, €20 voor niet-leden
Register

Als we de recente geschiedenis van de taalwetenschap overzien, valt op dat taalgebruiksgebaseerde benaderingen (‘usage-based approaches’) de voorbije decennia een centrale plaats hebben verworven. Dit gaat gepaard met een sterke focus op de functionele aspecten van de taal, naast de werking van het taalsysteem, en een toenemende belangstelling voor de cognitieve dimensie van de communicatie en van het taalgebruik.

Het doel van het colloquium is daarom tweeledig. Het beoogt in de eerste plaats de huidige stand van zaken toe te lichten van het taalgebruiksgebaseerd, cognitief taalonderzoek naar het Nederlands. Daarnaast biedt het een discussieforum voor cognitief taalonderzoekers, docenten Nederlands (als vreemde taal) en cognitief psychologen om de psycholinguïstische validiteit van recente taalkundige inzichten en modellen te beoordelen en hun bruikbaarheid in en implicaties voor het onderwijs van het Nederlands (als vreemde taal) kritisch te evalueren.

Om dit doel te bereiken, komt een panel van zes gastsprekers aan het woord die actief zijn op het gebied van cognitief taalonderzoek, psycholinguïstiek en vreemdetalendidactiek. Naast de gastlezingen is er ook een postersessie waar de resultaten van lopende projecten op de drie gebieden worden gepresenteerd. Dit zal het mogelijk maken de diversiteit aan behandelde thema’s uit te breiden.

 

Registratie: Gelieve je te registreren via deze link, voor vrijdag 10 maart

Registratiekost: Deelname is gratis voor NVT-net-leden en studenten. Lidmaatschap van NVT-net kost €20. Studenten dragen ook €10 bij als ze deelnemen aan de lunch. Als je nog geen NVT-lid bent, gelieve dan €20 over te schrijven op de bankrekening van NVT-net: BE46 0012 6934 5636 (BIC: GEBABEBB), met vermelding van 'lidmaatschap NVT-net' en je naam.  

Organisatie: Laurent Rasier (ULiège),  Dirk Pijpops (ULiège), Philippe Hiligsmann (UCLouvain)

Deadline voor het insturen van een abstract voor de postersessie (max. 300 woorden): 20 maart 2023

Notificatie dat een abstract aanvaard is: twee dagen na inzending

Contact (incl. voor de inzending van abstracts): laurent.rasier@uliege.be, dirk.pijpops@uliege.be

Locatie: Salle des Professeurs, Place du 20 Août 7, 4000 Luik

Datum: 31 maart 2023

 

Gastsprekers

Maarten Lemmens (Université de Lille)

Maaike Beliën (Instituut voor de Nederlandse Taal)

Ellen Simon (UGent), Bastien De Clercq (VUB), Pauline Degrave (UCLouvain), Mirjam Broersma (Radboud Universiteit Njimegen)

Isabeau Desmet (KU Leuven), Laura Rosseel (VUB) & Freek Van de Velde (KU Leuven)

Christina Piot (FRS-FNRS, ULiège & Université de Lille) & Julien Perrez (ULiège)

Sabine De Knop (USLB)

 

Programma

9.30u-10.15u

Ontvangst met koffie en thee

10.15u-10.30u

Welkomstwoord en inleiding

10.30u-11.15u

 

Maarten Lemmens

Taalgebruiksgebaseerde taalkunde: hoe, wat, en waarom.

11.15u-12.00u




Isabeau De Smet, samen met Freek Van de Velde & Laura Rosseel

Zorgt taalcontact voor morfologische vereenvoudiging? Een experimenteel onderzoek naar het gebruik van de Nederlandse verleden tijd bij Franstaligen

12.00u-13.15u

Lunch

13.15u-13.45u

Algemene ledenvergadering NVT-net

13.45u-14.30u





Ellen Simon, samen met Bastien De Clercq, Pauline Degrave & Mirjam Broersma

Belemmert fonetische variatie de verstaanbaarheid? Een studie naar de perceptie van regionaal gekleurd Nederlands door Franstalige leerders in België

14.30u-15.15u



Christina Piot, samen met Julien Perrez

Spreken en gebaren over motion events in het Frans en Nederlands als T1 en T2

15.15u-16.00u

 

 

Sabine De Knop

The integration of frequency dimensions and lexicalization preferences in foreign language learning

16.00u-16.15u

Conclusie en discussie

16.15u

Receptie

 

 

 

 

Abstracts van de lezingen

 

Maarten Lemmens (Université de Lille), Taalgebruiksgebaseerde taalkunde: hoe, wat, en waarom.

In tegenstelling tot formele taalmodellen (zoals het generatieve taalmodel) vertrekt de taalgebruiksgebaseerde taalkunde (usage-based linguistics) vanuit de premisse dat taal aangeleerd is. In een eerste deel van deze lezing lichten we toe hoe dit model ontstaan is net als reactie tegen het toen dominante generatieve model en leggen we kort uit wat basisprincipes zijn van het taalgebruiksgebaseerde model. In het bijzonder zullen we hierbij dieper ingaan hoe taalverwerving dan wel precies in zijn werk gaat en waarom dit een radicaal ander taalmodel oplevert dan meer formele taalmodellen waarbij het belang van de (gestructureerde en gecontextualiseerde) input en hoe deze verwerkt wordt centraal staat. Zoals wij zullen aantonen, opent het taalgebruiksgebaseerd model veel interessantere perspectieven dan formele modellen inzake taalverwerving, zowel van de moedertaal als van vreemde talen, van waaruit nieuwe methodes ontwikkeld kunnen worden of oude methodes verfijnd kunnen worden.

 

Isabeau De Smet (KU Leuven), Freek Van de Velde (KU Leuven) & Laura Rosseel (VUB), Zorgt taalcontact voor morfologische vereenvoudiging? Een experimenteel onderzoek naar het gebruik van de Nederlandse verleden tijd bij Franstaligen

Taalcontact en morfologische vereenvoudiging worden de laatste jaren steeds vaker in één adem genoemd. Onderzoek suggereert dat naarmate een taal gesproken wordt door meer volwassen T2-sprekers, die taal meer morfologische vereenvoudiging vertoont (Lupyan & Dale 2008; Trudgill 2010; Dale & Lupyan 2012; Bentz & Winter 2013). Dat zou bijvoorbeeld de reden zijn waarom geïsoleerde talen zoals het IJslands en het Faeröers heel complexe naamvalsystemen hebben, terwijl een taal als het Engels drastische vereenvoudigingen op dat vlak heeft ondergaan (Trudgill 2002).

Een andere vereenvoudiging die vaak gelinkt wordt aan taalcontact is de verzwakking van de sterke werkwoorden. In de Germaanse talen kunnen werkwoorden zowel sterk (met klinkerverandering, bijvoorbeeld rijd-reed) als zwak (met dentaalsuffix, bijvoorbeeld speel-speelde) worden vervoegd. De zwakke vervoeging wordt meestal als eenvoudiger beschouwd: ze is op alle werkwoorden van toepassing en er is maar één regel (de toevoeging van het dentaalsuffix), in tegenstelling tot de sterke vervoeging die slechts op een subset van werkwoorden toepasbaar is en die een grote onvoorspelbaarheid vertoont. Een vergelijking van de verzwakkingsgraad in het Duits, Engels en Nederlands in De Smet & Van de Velde (2019) laat zien dat het Engels, dat het meeste taalcontact heeft gekend, inderdaad ook de hoogste verzwakkingsgraad heeft, terwijl het Duits, dat veel geïsoleerder is geweest doorheen de eeuwen, de laagste verzwakkingsgraad heeft. Het Nederlands neemt op beide vlakken een tussenpositie in. Carroll et al. (2012) laten zien dat de piek in verzwakking in het Duits overeenkomt met de piek in taalcontact in die taal. Tot slot tonen Dale & Lupyan (2012) dat de verzwakkingsgraad in Amerikaans Engels (dat meer taalcontact heeft gekend) hoger ligt dan in Brits Engels.

Het omgekeerde komt echter naar voren uit het Wug-experiment van Cuskley et al. (2015). Zij lieten zowel T1- als T2-sprekers (met verschillende moedertalen) van het Engels de verleden tijd van onbestaande werkwoorden vormen. T2-sprekers bleken net méér sterke verledentijdsvormen te gebruiken dan T1-sprekers. Wij hebben dit onderzoek gerepliceerd voor het Nederlands (De Smet et al. 2022). Zowel moedertaalsprekers (N = 442)  als Franstalige sprekers van het Nederlands (N = 108) kregen een reeks onbestaande werkwoorden en ze werden gevraagd de verledentijdsvorm te geven. Ook in het Nederlands bleken T2-sprekers vaker sterke vormen te gebruiken dan T1-sprekers. Dit effect nam bovendien af naarmate de T2-vaardigheid toenam. Een mogelijke verklaring hiervoor zou in de frequentie van de sterke werkwoorden kunnen liggen. (Minder vaardige) T2-sprekers komen de minder frequente zwakke werkwoorden niet zo vaak tegen en overschatten daardoor mogelijk de proportie sterke werkwoorden in de taal. Deze overschatting wordt bovendien in de hand gewerkt door de grotere klemtoon die in het T2-onderwijs op de sterke werkwoorden ligt, omdat die vaak uit het hoofd geleerd moeten worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het effect zich het meest uitgesproken voordeed bij de /ɛɪ-e/-werkwoorden (bijvoorbeeld blijf-bleef), een patroon dat heel vaak voorkomt en dat ook wordt benadrukt in het tweedetaalonderwijs. Tot slot bleek nog uit het experiment dat T2-sprekers geen andere vereenvoudigingen in de taal binnenbrengen en zelfs net een meer divers palet aan sterke vervoegingen gebruiken dan T1-sprekers.

Hoewel de vraag zich opdringt hoe representatief dergelijke Wug-experimenten zijn voor écht taalgebruik, tonen deze studie en het werk van Cuskley et al. (2015) aan dat het idee dat taalcontact voor morfologische vereenvoudiging zorgt met de nodige nuance behandeld moet worden.

 

Bentz, Ch. & B. Winter (2013), ‘Languages with more second language learners tend to lose nominal case’, in: Language Dynamics and Change, 3, 1-27.

Carroll, Ryan, R. Svare & J. Salmons (2012), ‘Quantifying the evolutionary dynamics of German verbs’, in: Journal of Historical Linguistics, 2, 153-172.

Cuskley, Ch., Fr. Colaiori, C. Castellano, V. Loreto, M. Pugliese & Fr. Tria (2015), ‘The adoption of linguistic rules in native and non-native speakers: Evidence from a Wug task’, in: Journal of Memory and Language, 84, 205-223.

Dale, R. & G. Lupyan (2012), ‘Understanding the origins of morphological diversity: The linguistic niche hypothesis’, in: Advances in Complex Systems, 15, 1-16.

De Smet, I. & Fr. Van de Velde (2019), ‘Reassessing the evolution of West-Germanic preterite inflection’, in: Diachronica, 36(2), 139-179.

De Smet, I., L. Rosseel & Fr. Van de Velde (2022), ‘Are non-native speakers the drivers of morphological simplification? A Wug experiment on the Dutch past tense system’, in: Journal of Language Evolution, 1-19

Lupyan, G. & R. Dale (2010), ‘Language structure is partly determined by social structure’, in: PloS ONE, 5, 1-10.

Trudgill, P. (2002), ‘Linguistic and Social Typology’, in: J.K. Chambers, P. Trudgill & N. Schilling-Estes (eds.), The handbook of language variation and change, 2022, Oxford: Blackwell.

Trudgill, P. (2010), Investigations in sociohistorical linguistics: Stories of colonisation and contact, Cambridge: Cambridge University Press

 

Ellen Simon (UGent), Bastien De Clercq (VUB), Pauline Degrave (UCLouvain) & Mirjam Broersma (Radboud Universiteit), Belemmert fonetische variatie de verstaanbaarheid? Een studie naar de perceptie van regionaal gekleurd Nederlands door Franstalige leerders in België

Waar er gesproken taal is, zal er ook variatie zijn. Die variatie kan verschillende vormen aannemen, aangezien spraak kan verschillen naargelang de context (bv. formele en informele registers) en volgens verschillende kenmerken van de spreker, zoals leeftijd of regionaal accent (Drager, 2010). In deze presentatie bespreken we de vraag hoe luisteraars omgaan met variatie die veroorzaakt wordt door regionale accenten van sprekers. Uit eerder onderzoek weten we dat luisteraars in hun eerste taal doorgaans bijzonder goed in staat zijn om met die variatie om te gaan (Bent & Baese-Berk 2021; Dahan et al. 2008): ze ‘draaien hun oren’ naar de ongekende accenten en slagen erin om de grenzen tussen fonetische categorieën te verleggen, zodat de verstaanbaarheid niet in het gedrang komt. We bespreken de oorzaken van die flexibiliteit en de vraag in welke mate tweede- of vreemdetaalleerders kunnen omgaan met regionale variatie.

In een tweede deel van de presentatie zoomen we in op de resultaten van een empirische studie naar de perceptie van regionaal gekleurd Nederlands door Franstalige leerders in België. In de vreemdetaalklas wordt vaak op Standaardnederlands gefocust, zoals dat in België en Nederland wordt gesproken. Toch zijn regionale accenten in Vlaanderen sterk aanwezig en zullen Franstalige leerders in België ongetwijfeld vroeg of laat in contact komen met regionaal gekleurd Nederlands. In onze studie vergelijken we de perceptie van Standaardnederlandse en Antwerpse klinkers door een groep Nederlandstalige (T1; N=20) en Franstalige (T2; N=20) luisteraars. De luisteraars voerden een categorisatie- en een transcriptietaak uit, die peilden naar, respectievelijk, de mate waarin ze de Standaardtalige en regionale klinkers konden identificeren in isolatie en de mate waarin deze verstaanbaar waren in een langere uiting. Aan de hand van een regressieanalyse toont de studie aan dat de T1 groep gelijkaardig scoort op standaarditems en regionale items, maar dat de T2 groep beter scoort op regionale items dan op standaarditems. In het regiolect ondervinden beide groepen meer problemen met de categorisatietaak dan met de transcriptietaak, een verschil dat minder nadrukkelijk aanwezig is bij standaardtaal.

Dat de scores hoger liggen bij de transcriptietaak wijst erop dat de korte, extra blootstelling aan het accent van de spreker in de transcriptietaak de luisteraars helpt bij het identificeren van de klanken, ook al worden deze in nonsenszinnen ingebed. Franstalige leerders ondervinden ook een positief effect bij het luisteren naar regionale accenten die klinkercontrasten op basis van duur eerder dan spectrale eigenschappen signaleren, hoewel moedertaalsprekers van het Nederlands nog steeds over de hele lijn beter scoren.

De resultaten van de studie worden besproken in het licht van modellen voor de verwerving van fonetische categorieën (Speech Learning Model-Revised, Flege & Bohn, 2021; Perceptual Assimilation Model of Second Language Speech Learning, Best & Tyler, 2007). Ook de toepassing van de resultaten voor het vreemdetalenonderwijs Nederlands in Franstalig België komt aan bod.

 

Christina Piot (FRS-FNRS, ULiège & Université de Lille), samen met Julien Perrez (ULiège), Spreken en gebaren over motion events in het Frans en Nederlands als T1 en T2

Recent onderzoek naar de mulitmodale codering van spatiale gebeurtenissen heeft aangetoond dat  de typologische verschillen tussen verb-framed en satellite-framed talen (cf. Talmy, 2000) ook in co-verbale gebaren worden weerspiegeld (Brown & Chen, 2013; Kita & Özyürek, 2003; McNeill, 2005; McNeill & Duncan, 2000). Hieruit blijkt onder meer dat de betekenissen die in de gebaren worden uitgedrukt en de synchronisatie tussen taal en gebaren variëren naargelang het type taal (Brown & Chen, 2013; Gullberg, 2009; Kita & Özyürek, 2003; McNeill & Duncan, 2000; Özyürek et al., 2007). Deze resultaten wijzen op het belang van de studie van zulke gebaren bij de uitdrukking van motion events. Daarom wil de huidige studie bepalen hoe T1-sprekers van het Nederlands en het Frans aan de ene kant en Franstalige leerders van het Nederlands aan de andere kant zulke motion events uitdrukken in taal en gebaren.

In het verlengde van de studies van McNeill (1992, 2005), Kita & Özyürek (2003) en Stam (2006) werd een experiment uitgevoerd met 12 T1-sprekers van het Nederlands, 15 T1-sprekers van het Frans en 15 CLIL Franstalige leerders van het Nederlands. We vroegen hen enkele scènes na te vertellen uit een aflevering van de animatieserie Tweety & Sylvester (Freleng, 1957). Vervolgens onderzochten we hoe de deelnemers semantische componenten zoals MANIER, PAD en GROND uitdrukten. Daartoe werden deze componenten ingedeeld naargelang een aantal taxonomieën (Cadierno & Ruiz, 2006; Hickmann & Hendriks, 2006; Kopecka, 2006; Lewandowski, 2021; Özçakalistan & Slobin, 1999; Slobin et al., 2014). Er werd ook gekeken naar  de types gebaren (iconisch, deiktisch, metaforisch, pragmatisch of beat; cf. McNeill, 1992; Kendon, 2004), hun semantische componenten (bv. MANIER, PAD, GROND) en naar de synchronisatie tussen de linguïstische eenheden en de gebaren (Stam, 2006).

Voorlopige resultaten suggereren ten eerste dat de Franstaligen de neiging hebben om een  PAD-werkwoord te combineren met een PAD-satelliet en een PAD-gebaar. Dat is bijvoorbeeld te zien  in Figuur 1, waar de deelnemer het PAD-werkwoord passer combineert met de PAD-satelliet à côté  en een PAD-gebaar. Dit patroon komt ook vaak voor in de Nederlandstalige beschrijvingen van de Franstalige leerders. De Nederlandstaligen combineren daarentegen liever een MANIER-werkwoord  met een PAD-satelliet en een PAD-gebaar. Dat is dan weer te zien in Figuur 2, waar de deelnemer het MANIER-werkwoord lopen samen met de PAD-satelliet op en neer en een PAD-gebaar gebruikt. Voorts produceren de Franstalige leerders PAD-gebaren minder vaak samen met het werkwoord, maar vaker samen met talige eenheden die geen kernelementen van motion events uitdrukken, in vergelijking met de T1-sprekers van beide talen. Daarnaast gebruiken de leerders vaker pragmatische gebaren. Tot slot produceren ze ook manner fog gebaren, d.w.z. gebaren die de manier uitdrukken terwijl deze semantische component niet aanwezig is in woorden. Dit wordt geïllustreerd in Figuur 3, waar de deelnemer een MANIER-gebaar produceert omdat hij het Nederlandse woord vliegen niet kent.

Deze tendensen laten zien dat CLIL Franstalige leerders van het Nederlands goeddeels hetzelfde patroon als in het Frans hanteren in hun doeltaal, maar dat ze ook eigen specificiteiten vertonen. Meer algemeen tonen de resultaten aan dat de co-verbale gebaren een dimensie vormen waarmee rekening moet worden gehouden bij vreemdetaalverwerving.

 

 Figuur 1: ‘Il passe à côté’ (FR5, ME31)

Figuur 1

 

Figuur 2: ‘En hij is op en neer aan het lopen’ (DU1, ME26)

Picture3

 

Figuur 3: ‘Titi is een vogel dus hij kwikwi’ (CLIL9, ME66)

Picture4

 

Brown, A. & J. Chen (2013), ‘Construal of Manner in speech and gesture in Mandarin, English, and Japanese’, in: Cognitive Linguistics, 24(4), 605–631. https://doi.org/10.1515/cog-2013-0021

Cadierno, T. & L. Ruiz (2006), ‘Motion events in Spanish L2 acquisition’, in: Annual Review of Cognitive Linguistics, 4(1), 183–216.

Freleng, F. (1957), ‘Tweet Zoo’. In Merrie Melodies. https://www.youtube.com/watch?v=SqhwmHrdf74

Gullberg, M. (2009), ‘Gestures and the development of semantic representations in first and second language acquisition’, in: Acquisition et interaction en langue étrangère, Aile... Lia 1, 117–139. https://doi.org/10.4000/aile.4514

Hickmann, M., & H. Hendriks (2006), ‘Static and dynamic location in French and in English’, in: First Language, 26(1), 103–135. https://doi.org/10.1177/0142723706060743

Kendon, A. (2004), Gesture: Visible action as utterance, Cambridge University Press.

Kita, S., & A. Özyürek (2003), ‘What does cross-linguistic variation in semantic coordination of speech and gesture reveal? Evidence for an interface representation of spatial thinking and speaking’, in: Journal of Memory and Language, 48(1), 16–32. https://doi.org/10.1016/S0749-596X(02)00505-3

Kopecka, A. (2006), ‘The semantic structure of motion verbs in French: Typological perspectives.’, in: M. Hickmann & S. Robert (Red.), Typological Studies in Language (Vol. 66, pp. 83–101), John Benjamins Publishing Company. https://doi.org/10.1075/tsl.66.06kop

Lewandowski, W. (2021), ‘Variable motion event encoding within languages and language types: A usage- based perspective’, in: Language and Cognition, 13(1), 34–65. https://doi.org/10.1017/langcog.2020.25

McNeill, D. (1992), Hand and Mind: What Gestures Reveal about Thought, University of Chicago Press. McNeill, D. (2005), Gesture and thought, University of Chicago Press.

McNeill, D., & S.D. Duncan (2000), ‘Growth points in thinking-for-speaking’, in: D. McNeill (Red.), Language and Gesture (1ste dr., pp. 141–161), Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/CBO9780511620850.010

Özçakalistan, S., & D.I. Slobin (1999), ‘Learning How to Search for the Frog: Expression of Manner of Motion in English, Spanish, and Turkish’, in: A. Greenhill, H. Littlefield, & C. Tano (Red.), Proceedings of the 23rd Annual Boston University Conference on Language Development. (Vol. 2, pp. 541–552). Cascadilla Press.

Özyürek, A., S. Kita, S. Allen, R. Furman & A. Brown (2007), ‘How does linguistic framing of events influence co-speech gestures?: Insights from crosslinguistic variations and similarities’. In: K. Liebal, Müller, & S. Pika (Red.), Benjamins Current Topics (Vol. 10, pp. 197–216). John Benjamins Publishing Company. https://doi.org/10.1075/bct.10.15ozy

Slobin, D. I., I. Ibarretxe-Antuñano, A. Kopecka & A. Majid (2014), ‘Manners of human gait: A crosslinguistic event-naming study’, in: Cognitive Linguistics, 25(4), 701–741. https://doi.org/10.1515/cog-2014-0061

Stam, G. (2006), ‘Thinking for speaking about motion: L1 and L2 speech and gesture’, in: IRAL - International Review of Applied Linguistics in Language Teaching, 44(2). https://doi.org/10.1515/IRAL.2006.006

Talmy, L. (2000), Toward a cognitive semantics (Vol. 2), MIT Press.

 

 

Sabine De Knop (Université Saint-Louis Bruxelles), The integration of frequency dimensions and lexicalization preferences in foreign language learning

Learners of foreign languages (L2) tend to compare foreign structures with the ones in their mother tongue (L1). Comparing languages means focusing on similarities and differences between the structures in L1 and L2 (König & Gast 2012). Similarity between language pairs presupposes that equivalent structures exist between the languages under study. But what does equivalence mean? Several studies have dealt with different types of equivalence, among others semantic or pragmatic equivalence (James 1983; Olesky 1983 & 1986), contextual equivalence (Halliday, McIntosh & Strevens 1964) or sentential equivalence (Krzeszowski 1990). However, with particular attention to usage and authentic discourse, equivalence should also be defined in statistical terms (Krzeszowski 1981), i.e. by focusing on the frequency of similar structures in the language pairs. My talk aims at revisiting the notion of similarity or equivalence by proposing to integrate the frequency dimension in foreign language learning (FLL). It will show that frequency differences in the use of similar structures in language pairs are dependent on the lexicalization preferences in these languages. With two case studies for the language pair German vs. French, the presentation will illustrate that the lexicalization preferences depend, on the one hand, on the classification of both languages either as satellite-framed (= German) or as verb-framed (= French) languages (Slobin 1996 & 2017; Talmy 2000), and on the difference between synthetic (= German) vs. analytic (= French) languages (Schlücker 2012; Siemund 2004), on the other hand.

         The first case study deals with causal constructions with (color) adjectives (De Knop 2015), e.g. Sie ist rot vor Wut (lit. ‘She is red with anger’). Equivalent syntactic structures with a similar semantics exist in both French and German. The second study deals with so-called “verbless directives” (Jacobs 2008; De Knop & Mollica 2018), e.g. Ab ins Bett (lit. ‘Off to bed’) which are used in both languages. However, both studies show that even if similar structures exist in German and French, they are not used with the same frequency; sometimes alternative lexicalization patterns are preferred as more authentic ways of expression.

         The two studies provide evidence for the necessity to integrate frequency dimensions and favorite lexicalization patterns in a usage-based teaching methodology.

 

De Knop, S. (2015), ‘Causal constructions with an adjective in German and French: typological and pedagogical considerations’, in: Special issue of Journal of Social Sciences on Phraseodidactics and Construction Grammar(s), ed. by Maria Isabel Gonzalez Rey, 11(3), 289-303.

De Knop, S. & F. Mollica (2018), ‘Verblose Direktiva als Konstruktionen: ein kontrastiver Vergleich zwischen Deutsch, Französisch und Italienisch‘, In: Jürgen Erfurt & Sabine De Knop (eds.), Konstruktionsgrammatik und Mehrsprachigkeit, 127–148. Universität Duisburg-Essen: Universitätsverlag Rhein-Ruhr OHG.

Gast, V. (2012), ‘Contrastive Linguistics: Theories and Methods’, in: Bernd Kortmann & Johannes Kabatek (eds.), Dictionaries of Linguistics and Communication Science: Linguistic theory and methodology, Berlin: Mouton de Gruyter. 

Halliday, M.A.K., A. McIntosh & P. Strevens (1964), The Linguistic Sciences and Language Teaching, London: Longman.

Jacobs, J (2008),‘Wozu Konstruktionen?‘, in: Linguistische Berichte, 213, 3-44.

James, C. (1983), Contrastive Analysis, London: Longman.

König, E. & V. Gast (2012), Understanding English-German Constrasts. Berlin: Erich Schmidt Verlag.

Krzeszowski, T. P. (1981), ‘Quantitative contrastive equivalence‘, in: Studia Linguistica, 35(1-2), 102-113.

Krzeszowski, T. P. (1990), Contrasting Languages, Berlin: Mouton de Gruyter.

Oleksy, W. (1983), ‘Pragmatic equivalence in contrastive studies: requests in Polish and English’, in: K. Sajavaara (ed.), Cross-language Analysis and Second Language Acquisition, 70-93. Jyvaaskyla: University Publishers.

Oleksy, W. (1986), ‘Some recent approaches to equivalence in contrastive studies’, In: Dieter Kastovsky & Aleksander Szwedek (eds.), Linguistics across historical and geographical boundaries. In honour of Jacek Fisiak on the occasion of his fiftieth birthday. Vol. 2: Descriptive, contrastive and applied linguistics, 1405-1420. Berlin: de Gruyter.

Schlücker, B. (2012), ‘Die deutsche Kompositionsfreudigkeit. Übersicht und Einführung‘, in: Livio Gaeta & Barbara Schlücker (eds.), Das Deutsche als kompositionsfreudige Sprache. Strukturelle Eigenschaften und systembezogene Aspekte, 1-25. Berlin: De Gruyter.

Siemund, P. (2004), ‘Analytische und Synthetische Tendenzen in der Entwicklung des Englischen‘, in:. Uwe Hinrichs & Uwe Büttner (eds.), Die europäischen Sprachen auf dem Wege zum analytischen Sprachtyp, 169-196. Wiesbaden: Harrassowitz Verlag.

Slobin, D.I. (1996), ‘Two ways to travel: Verbs of motion in English and Spanish’, in; Masayoshi Shibatani & Sandra Thompson (eds.), Grammatical Constructions, 195-219. Oxford: Clarendon Press.

Slobin, DII. (2017), ‘Typologies and language use’, in Iraide Ibarretxe-Antuñano (ed.), Motion and Space across Languages, 419-445. Amsterdam: John Benjamins.

Talmy, L. (2000), Toward a Cognitive Semantics, Cambridge, MA: MIT Press.

Share this event

cookieImage